Australian Cattle Dog

PORTRET

RASGROEP: Herdershonden en Veedrijvers
AARD: Rustig, intelligent, harde werker
GEMIDDELDE LEVENSDUUR: 12 jaar
SCHOUDERHOOGTE: 45,7-50,8 cm (reuen); 43,1-48,2 cm (teven)
GEWICHT: Ongeveer 20 kg
VACHT: Kort; blauw, roodgespikkeld
AANLEG: Veedrijver
OMGANG MET KINDEREN: Goed
OMGANG MET ANDERE HONDEN: Goed
LEEFRUIMTE: Is een ‘buitenhond’; moet liever niet op een flat
VACHTVERZORGING: Weinig

Australian Cattle Dog

Australian Cattle Dog

HERKOMST

De Australian Cattle Dog is buiten het land van oorsprong – Australië – niet erg bekend. Hij mag hier beslist exclusief worden genoemd. Qua uiterlijk is hij eerder gewoon dan ongewoon. Hij valt niet op door zijn grootte (reuen hebben een schouderhoogte van 45,750,8 cm en teven een schouderhoogte van 43,1-48,2 cm), door zijn vacht (met uitzondering natuurlijk van de onalledaagse blauwgespikkelde kleur) of door een vervaarlijk uitziende snor en baard. Als hij al zou opvallen, dan is dat waarschijnlijk door zijn sjieke eenvoud, die wordt gekenmerkt door een heel oorspronkelijke uitstraling.

In de rasnaam ligt precies besloten met welk doel deze hond ooit werd gefokt; het is een veedrijvershond, een zogenaamde ‘heeler’. De honden brengen het vee in beweging door een snelle beet in één van de hielen. Direct na de beet drukt de Australian Cattle Dog zich op de grond, om een eventuele klap met een poot van het vee te ontwijken. Voor dit doel moet een hond energiek, intelligent en behendig zijn en veel eigen initiatief vertonen.

In een korte weergave van de geschiedenis van de Australian Cattle Dog mag de Dingo niet ontbreken, een van de honden die aan de vorming van het ras heeft bijgedragen.

De Dingo is een verwilderde huishond, die naar wordt aangenomen, ongeveer 3000 jaar geleden in Australië terecht kwam. Sommige schrijvers veronderstellen dat hij in werkelijkheid 10.000 jaar oud is. Vast staat in ieder geval, dat de oudste resten van een hond – gevonden in Australië – 3000 jaar oud zijn. De Dingo leeft in het wild, maar kan gemakkelijk worden getemd. Dat werd en wordt nog steeds gedaan door de oorspronkelijke Australische bevolking, de Aborigines. Zij halen Dingopuppy’s uit het nest op momenten waarop de teef op voedseltocht is, en voeden de diertjes zelf op, waardoor ze tam worden. Vervolgens kunnen ze worden opgevoed en getraind voor de jacht. De blanke kolonisten waren niet zo verrukt van de Dingo, die zij als gevaarlijk en lastig beschouwden.

De kolonisten brachten vee mee, runderen en vooral schapen. Omdat Dingo’s de schapen doodbeten, werd er meedogenloos op ze gejaagd. Hetzelfde gebeurde met andere dieren die op dat grote eiland in het wild leven, zoals kangoeroes en wallabies. Dat de Dingo het heeft overleefd is onder andere te danken aan zijn neiging om zich terug te trekken uit gebieden met een oprukkende `beschaving’, aan zijn intelligentie en aan het feit dat hij zo uitstekend was aangepast aan zijn omgeving. Hij is nog steeds vogelvrij. Er wordt ook alles aan gedaan om de Dingo uitte schakelen: premies worden uitgeloofd per scalp en er is een ontzaglijk hekwerk ingegraven dat meer dan 10.000 km lang is, ongeveer 2 m hoog en meer dan 25 cm in de grond staat. Om de ongeveer 50 km zijn bewaakte doorgangen in dat hekwerk gemaakt. De bedoeling van dit gigantische werk is de Dingo ver te houden van de weidegebieden van de staten South Australia, Queensland, New-South-Wales en Victoria. Dingo’s blijken overigens nog steeds in staat om hier en daar over of onder het hek door te komen.

Dingo’s zijn op het hoogste punt van de schouder ongeveer 60 cm. Ze hebben een kortharige, meestal diepgele vacht met bruinzwarte aftekening op de snuit en soms ook op de ruggengraat. Ze hebben een vrij lange rug, een brede borst en een stevig breed hoofd met een normale snuitlengte en staande, driehoekige oren. Een uiterlijk zonder poespas: eerlijk, aangepast, sober en doeltreffend.

Een hond kan nooit alleen maar vijanden hebben. Dat geldt ook voor de Dingo. Er zijn altijd mensen die een voortreffelijk aan zijn omgeving aangepast en slim voor zijn overleving vechtend wezen bewonderen. Zij kwamen tot de slotsom dat de Dingo wel eens een heel belangrijke rol zou kunnen spelen binnen de creatie van een geschikt werkhondenras dat in de Australische omstandigheden uiterst noodzakelijk was.

Schapenhouders hadden het probleem van de Dingo. Veehouders hadden een ander probleem, namelijk, dat zij niet in staat waren een geschikte hond te vinden die hun kudden kon drijven. De honden die werden gebruikt waren of te blafferig, of konden zich in het klimaat niet aanpassen.

De remedie was het in kruisen van de Dingo. Immers, deze hond had bewezen het in Australië ondanks alle tegenwerking van de schapenboeren te kunnen redden. Een ander voordeel van de Dingo was dat hij niet blafte. De eerste kruisingen met de Dingo vonden al in 1830 plaats door de Australische drover (cowboy) Mr. Timmins. Dat was geen succes. In 1840 importeerde Mr. Hall uit Muswellbrook in New-South-Wales een paar kortharige blue merle Collies (Schotse Herdershonden). Deze dieren waren naar zijn mening te blafferig bij zijn vee. Daarom kruiste hij ze met Dingo’s. Een van zijn honden, die een kwart Dingo was, kwam in handen van Mr. George Elliott, die zelf al jaren experimenteerde met Dingo-Colliekruisingen.

Mr. George Elliott had veel succes, want de nakomelingen die hij fokte, bleken uitstekende heelers te zijn. Het was zijn systeem om half-, kwart-, éénachtste en één-achttiende Dingo in te fokken bij blue merle Collies.

Andere mensen hadden een ander fokprogramma, dat wil zeggen, ander uitgangsmateriaal. De gebroeders Bagwood kruisten de Dingo met de Dalmatische Hond. Deze laatste staat bekend als een hond die bijzonder goed met paarden kan opschieten. Deze eigenschap van de Dalmatische Hond wilden zij in hun nieuwe honden invoeren.

Tegen het einde van de 19e eeuw wilden alle veehouders dolgraag van die stille, intelligente, hoogst doelmatige ‘Speckled Heelers’. In 1893 begon een indertijd bekende fokker van werkhonden, Mr. Robert Kaleski, zich met dit ras bezig te houden. Hij stelde in 1897 de eerste rasstandaard op die in 1903 werd aangenomen, waarmee het ras officieel door de Kennel Club van New South-Wales werd erkend. In het begin stond de hond bekend onder de naam Queensland Heeler, later Australian Heeler maar uiteindelijk werd het Australian Cattle Dog. In zijn boek Australian Barkers and Biters’ is alles over de vroege geschiedenis van het ras te vinden.

GEDRAG

De Australische Veedrijvershond is een echte werkhond, die goedleers is en na een training goed in staat moet zijn op commando en op eigen initiatief vee te verplaatsen.

In de Australische omstandigheden gaat het niet om kleine groepjes runderen,. maar om grote kudden, waarbij mens, hond en paard samenwerken en ettelijke mijlen moeten afleggen onder vaak ongunstige weersomstandigheden. Geen wonder, dat de Australian Cattle Dog een bijzonder intelligente hond is, die goed onder appèl staat en snel leert. De bijzondere vachtkleur hebben ze aan hun voorouders, de blue merle Collie, de Dingo en de Dalmatiner te danken. Pups worden wit geboren en kleuren pas na drie weken op in blauwgespikkeld of roodgespikkeld.

Geen hond heeft dezelfde aard. Ook binnen één ras bestaan altijd honden die anders zijn dan hun rasgenoten. Als de ene Australian Cattle Dog vrolijk op een onbekende afstapt en die begroet, kijkt de ander nog even `de kat uit de boom.’ In het algemeen zijn het vriendelijke honden, die ook goed met soortgenoten kunnen opschieten, iets wat ze in hun taak als heeler natuurlijk moeten kunnen. Het zijn echter geen doetjes die alles nemen van een andere hond.

Ze zijn waaks, want in Australië moeten ze ook het huis beschermen tegen eventuele ongenode gasten. Een Nederlandse fokker verraste na een wandeling met zijn honden een stel insluipers bij zijn huis, die net via het raam naar buiten stapten. Zonder zich te bedenken en zonder daarvoor te zijn opgeleid hield de reu een van de mannen in bedwang, waardoor tijdig de politie kon worden ingeschakeld. Dezelfde reu is heel kalm en lief met de jonge kinderen van deze fokker, die in principe alles met hem kunnen doen. De Australian Cattle Dog is dus erg betrouwbaar.

Hoe actief ze buiten ook zijn (het is een genoegen om te zien hoe snel deze honden rennen en hoe behendig ze zijn), binnen zijn ze rustig. Ze weten zichzelf te vermaken. Het zijn geen opdringerige, voortdurend de aandacht eisende honden, ze blaffen weinig en als ze het doen, is het meestal met een wat kort, hoog geluid. Vanwege hun snelle begrip en hun temperament, waardoor werken als iets prettigs wordt ervaren, kunnen Australian Cattle Dogs heel goed worden getraind. Ze slaan dan ook een bijzonder goed figuur tijdens gehoorzaamheidsproeven en in behendigheidswedstrijden (agility).

De Australian Cattle Dog is een fijne hond om mee op te trekken; het is een kameraad die het niet erg vindt om in weer en wind mee naar buiten te gaan. Omdat het eigenlijk een werkhond is, moet hij veel mee op stevige wandelingen.

VERWANTE RASSEN

De meest directe verwant van de Australian Cattle Dog is de Collie, die officieel Schotse Herdershond wordt genoemd. De kortharige variant, die minder vaak voorkomt dan de langharige met zijn weelderige vacht, werd indertijd met de Dingo gekruist. Deze Collies zijn voortreffelijke herdershonden. Voor de kruisingen met de Dingo werd uitgegaan van de blauw-schimmelkleur, ofwel ‘blue merle’. Schotse Herdershonden zijn 56-61 cm hoog (schouderhoogte).

De andere verwant is de Dalmatische Hond, die een opvallende, heel korte, gevlekte vacht heeft. De basiskleur is wit, waarop gelijkmatig ronde, of ovale vlekken zijn afgetekend in de kleur zwart of bruin. De schouderhoogte van deze hond is 50-61 cm. Van de afstamming van de Dalmatische Hond is weinig bekend, maar aangenomen wordt, dat hij gemeenschappelijke voorouders heeft gehad met de Pointers en Bull Terriërs. In de 18e en 19e eeuw werden deze honden gebruikt als begeleiders van rijtuigen. Omdat ze in de stallen werden ondergebracht, konden ze goed met paarden omgaan. Om deze reden werden ze indertijd voor kruisingen met de Dingo gebruikt.

De Dingo (‘Canis dingo) is de inheemse verwilderde huishond van Australië; het zijn uitstekende jachthonden, vandaar dat de oorspronkelijke bevolking, de Aborigines, ze als zodanig gebruikten. Schapenhouders hebben nog steeds een geweldige hekel aan de Dingo en laten niets na om het dier te vervolgen.

 

STANDAARD

ALGEMEEN
Stoere, gedrongen, symmetrisch gebouwde werkende hond.

Zijn bekwaamheid en bereidheid iedere taak – hoe inspannend ook – uit te voeren, zijn combinatie van stevigheid, kracht, evenredigheid en harde spierconditie, wekken de indruk van grote behendigheid, kracht en uithoudingsvermogen. Iedere neiging tot grofheid of zwakte moet als een ernstige fout worden beschouwd.

HOOFD
In harmonie met de overige lichaamsdelen van de hond. Breed in de schedel, die tussen de oren enigszins gewelfd moet zijn en geleidelijk aan vlakker wordt naar de lichte, maar goed aangegeven stop. Goed gespierde wangen, die niet grof mogen zijn en niet mogen uitsteken; de onderkaak moet krachtig, diep en goed ontwikkeld zijn. De snuit moet breed en goed onder de ogen opgevuld zijn, geleidelijk aan versmallend naar een matig lange, diepe en krachtige voorsnuit. De lippen zijn strak en gaaf. De neusspiegel is zwart, ongeacht de kleur van de hond.

GEBIT
De tanden moeten gezond, sterk en regelmatig geplaatst zijn en scharend sluiten. De ondersnijtanden moeten vlak achter de bovensnijtanden vallen en deze net raken. Geen boven- of ondervoorbeet.

OREN
Matig groot, liever klein dan groot; breed aan de aanzet, gespierd. Staand gedragen en enigszins puntig. Ver uit elkaar op de schedel geplaatst, naar buiten gedraaid, beweeglijk en fier opgericht als de aandacht van de hond wordt getrokken. Binnenkant van het oor is matig behaard.

OGEN
Matig grote ogen; moeten ovaal van vorm zijn, niet uitpuilen of diepliggend; hebben een uitdrukking die oplettendheid en schranderheid verraadt. Kenmerkend is een waarschuwende of achterdochtige flikkering in het oog. Donkerbruin van kleur.

LICHAAM
Schouderhoogte reuen 45,7- 50,8 cm, voor teven 43,1- 48,2 cm. Honden boven of onder deze specifieke maten zijn niet gewenst. De lengte van het lichaam van het boeggewricht tot het zitbeen verhoudt zich tot de schouderhoogte als 10:9. Bovenbelijning recht; rug sterk, met goed gewelfde ribben, die ver naar achteren doorlopen. Geen tonvormige ribben. Ruime, matig brede en goed gespierde voorborst; brede, volle en krachtig gespierde lendenen; brede flanken die een krachtige verbinding vormen van de voor- en achterhand.

Hals buitengewoon krachtig en gespierd, matig lang; breder bij het overgaan in de schouders; zonder keelhuid.

De schouderbladen moeten breed zijn, schuin geplaatst, goed gespierd onder een goede hoek met de opperarm liggend en de schoudertoppen mogen niet te dicht bij elkaar liggen.

De achterhand is breed, krachtig en goed gespierd. Het bekken is tamelijk lang en helt enigszins; lange, brede, goed ontwikkelde dijen met een matige buiging in de knie. Krachtige, laag geplaatste sprongen. Van achteren gezien staan de middenvoeten recht en zijn niet te dicht of niet te wijd uit elkaar geplaatst.

BENEN
De voorbenen bezitten stevig rond bot tot op de voet, zonder enige zwakte in de polsen. De voorbenen moeten van voren gezien kaarsrecht zijn; van terzijde gezien maakt de middenvoet een kleine hoek met de onderarm. De achterbenen hebben krachtige, laag geplaatste sprongen. Van achteren gezien staan de middenvoeten recht en zijn niet te dicht en niet te wijd uit elkaar geplaatst.

VOETEN
Voeten rond, tenen kort, sterk, goed gebogen en gesloten. Voetzolen hard en dik en de nagels kort en krachtig.

STAART
Laag aangezet, in een vloeiende lijn met het bekken. In rust hangt de staart enigszins gebogen. Staart moet tot de sprongen reiken. Als de hond loopt of bij opwinding mag de staart omhoog gedragen worden, maar nooit verder reiken dan tot een denkbeeldige lijn door de staartwortel.

VACHT
De weerbestendige bovenvacht is tamelijk kort, recht en enigszins grof, met een korte, dichte ondervacht. Aan de achterzijde van de achterbenen is de beharing langer en vormt een lichte broek. De staart is zodanig behaard, dat er een vossenstaart ontstaat. Hoofd, voorbenen en achter middenvoeten zijn bedekt met kort haar.

KLEUR
Blauw; de kleur moet blauw of blauw-gespikkeld zijn, met of zonder aftekeningen. De toegestane aftekeningen zijn zwart, blauw of tan op het hoofd, bij voorkeur symmetrisch verdeeld. Het tan van de voorbenen begint halverwege de benen en breidt zich uit aan de voorkant tot de borst en de keel, met tan op de kaken; het tan van de achterbenen bevindt zich aan de binnenzijde van de dijen tot aan de voorzijde van de knie en verbreedt zich naar de buitenkant van de sprongen tot de tenen. Tan in de ondervacht is toegestaan op het lichaam, mits het niet door de blauwe bovenvacht schijnt. Zwarte aftekeningen op het lichaam zijn ongewenst.

Roodgespikkeld; de kleur moet regelmatig roodgespikkeld zijn over het gehele lichaam; de ondervacht eveneens (niet wit of roomkleurig), met of zonder donkerder rode aftekeningen op het hoofd. Symmetrisch verdeelde aftekeningen op het hoofd zijn zeer gewenst. Rode aftekeningen op het lichaam zijn toegestaan maar worden niet verlangd.

BIJZONDERHEDEN
Hij wordt gebruikt als hulp bij het in bedwang houden van het vee, zowel op open als afgesloten terreinen. Niet aflatende oplettendheid, buitengewone schranderheid, waakzaamheid, moed en trouw, met een onvoorwaardelijke plichtsbetrachting, stempelen hem tot een ideale hond. Zijn oprechtheid en instinctieve neiging tot bescherming vormen hem tot de aangewezen bewaker van de veefokker, zijn kudde en zijn bezittingen. Hoewel wantrouwend tegenover vreemden, moet hij in de keuring handelbaar zijn.