Argentijnse Dog

PORTRET

RASGROEP:  Dogachtigen
AARD: Waaks, trouw
GEMIDDELDE LEVENSDUUR: 12 jaar
SCHOUDERHOOGTE: 55-65 cm
GEWICHT: Ongeveer 40 kg
VACHT: Wit
AANLEG: Waak- en verdedigingshond
OMGANG MET KINDEREN: Goed
OMGANG MET ANDERE HONDEN: Is nogal dominant
LEEFRUIMTE: Minstens een huis met een tuin
VACHTVERZORGING: Weinig

Argentijnse Dog

Argentijnse Dog

HERKOMST

Argentijnse Dog, door liefhebbers in het land van herkomst (Argentinië) kortweg ‘Dogo’ genoemd, heeft n geschiedenis achter de rug die kan worden verge:en met die van de Dobermann Pinscher. Net als deze, heeft het ras haar bestaan te danken aan de initiatieven van één man. In het geval van de Argentijnse Dog was dat Dr. Antonio Nores Martinez, een bioloog en jager, die. rond 1900 besloot om uit verschillende, andere dogachtigen een nieuw ras te creëren. Voor dit doel gebruikte hij doggen die vanaf het begin van de 16e eeuw in Argentinië aanwezig waren.

Uit de geschiedenis van Zuid-Amerika en de verovering van dat werelddeel door de Spaanse conquistadores is bekend, dat deze in hun onbarmhartige strijd tegen de oorspronkelijke Indiaanse bevolking, ook Molossers inzetten. Deze grote, dogachtige vechthonden vormden een van de middelen waarmee de vluchtende bevolking tot onderwerping werd gedwongen. Ook veel later toen de exploitatie van de Nieuwe Wereld anders was gestructureerd, was er voor dit soort honden een dergelijke taak waarvoor ze speciaal getraind werden. Zoals bekend, werden op de plantages slaven gehouden en als die probeerden te vluchten, werden deze honden er op uit gestuurd om die mensen op te sporen. Daarvoor hadden ze onder andere een goede neus nodig. Om die te krijgen werden de aanwezige doggen, die van nogal uiteenlopend uiterlijk waren, met honden van het type Bloedhond gekruist die bekend stonden om hun voortreffelijke neus.

Na de afschaffing van de slavernij werd nieuw emploi voor deze honden gevonden: hondengevechten. Die waren in Argentinië ongehoord populair. Net als in talloze andere landen waar zulke gevechten werden georganiseerd, werden de dieren in ellendige kleine arena’s tegen elkaar opgehitst. Dat alles in aanwezigheid van de lieden die ook vanwege het wedden – waarbij grote sommen geld van eigenaar verwisselden – van

deze sport’ hielden. Om de honden nog gevaarlijker te maken, kruisten de Argentijnen hun inheemse doggen met buitenlandse rassen, vooral met Engelse Bulldogs, Bull Terriërs, Boxers, Duitse Doggen, Pyrenese Mastins, Bordeaux Doggen en de oude vechthonden

van Cordoba. Het resultaat van al die kruisingen was werkelijk indrukwekkend, bezien vanuit het standpunt van de fokkers. Er werden honden gefokt die bijzonder woest waren. Deze dieren waren voor de jacht niet of nauwelijks bruikbaar, omdat ze niet meer in bedwang

konden worden gehouden. Als ze in een meute bijeengebracht werden ontstonden onvermijdelijk gevechten op leven en dood.

Dr. Nores Martinez wilde iets heel anders. Hij dacht aan een hond die uitstekend geschikt zou zijn voor de jacht op de poema en het muskuszwijn, twee diersoorten die in Argentinië wijdverspreid en in groten getale voorkwamen. Wat hij deed was het volgende. Met behulp van heel zorgvuldige selectie kruiste hij enkele van de eerder genoemde, verschrikkelijk woeste inheemse doggen met Duitse Doggen, Pointers en Ierse Wolfshonden. De dog die Nores Martinez voor ogen had was niet te groot, zodat hij gemakkelijk kon werken in bergachtige streken. Hij moest wit zijn om goed af te steken tegen de achtergrond van de Argentijnse pampa zodat de jagers zich niet konden vergissen en per ongeluk op de hond zouden schieten. Na talloze kruisingsproeven was hij in 1928 zo ver dat onder zijn supervisie een standaard voor het nieuwe ras, dat de officiële naam Argentijnse Dog kreeg, kon worden opgesteld.

Het is een voortreffelijke poemajager die buiten Zuid-Amerika niet erg bekend is. Hij is zo geschikt voor dit werk dat hij, ondanks het feit dat hij weinig gemakkelijk in de omgang is, toch heeft geleerd om in vreedzaam coëxistentie te leven met de paarden van de jager;

Verder is de onverschrokken dogo – die niet aarzelt om de meest agressieve wilde dieren aan te vallen – ook in gebruik bij de politie, de douane en in het leger. E wordt zelfs verteld dat hij een uitstekende geleidehond voor blinden zou zijn, wat een bewijs is voor de mogelijkheid om zijn krijgszuchtige temperament om te vormen in een voorbeeldige toegewijdheid aan een heel andere taak.

Inmiddels zijn Argentijnse Doggen ook buiten Zuid Amerika te vinden, vooral in Duitsland, Nederland Spanje en Italië, waar ze gewoon als huishond worden gehouden. Als ze jong in huis komen, zullen ze de kat en haar kittens, wel met rust laten. Buiten zullen ze naar hartelust jagen op een kat, maar dat doen vee andere honden ook. Het is de eigenaar van een hond die er op moet toezien dat dit niet gebeurt.

 

GEDRAG

De Argentijnse Dog is ruim voorzien van het temperament waardoor hij een voortreffelijke waak- en verdedigingshond kan zijn. Er gaat van hem door zijn grootte niet alleen een preventieve werking uit. Door zijn karaktereigenschappen kan hij heel gemakkelijk in deze discipline worden opgeleid. Het is wel zo, dat hij onder zijn nogal stoere uiterlijk een heel aanhankelijke aar( verbergt. De onvoorwaardelijke trouw aan zijn baas maakt dat de band tussen de Argentijnse Dog en d( mens bijzonder hecht kan zijn. Moed en loyaliteit, da zijn de sterkste punten in zijn persoonlijkheid.

Door zijn grootte is deze fraaie atleet met zijn gewicht van ongeveer 40 kg niet geschikt voor een leven in eer tweekamerwoning of een flat in de stad. Maar hoewel er dus minimumnormen zijn voor de ruimte die hij nodig heeft, is het niet zo dat hij geen prijs zou stellen op gerieflijkheid. Om zo’n weinig gekunstelde hond nonchalant op de sofa te zien liggen doet wel grappig aan. Iemand die bang is dat zijn of haar meubels snel slijten zal het echter minder waarderen. In tegenstelling tot wat misschien mag worden verwacht, kan de Argentijnse Dog in alle zachtheid worden opgevoed, waarbij elke misplaatste ruwheid moet worden vermeden. Dat is de conclusie van de Argentijnse professor Diego Ross, die in 1972 een studie over het gedrag van deze honden heeft gepubliceerd. Uit zijn werk bleek onder andere duidelijk dat het absoluut onnodig is om de ‘dogo’ te slaan of op een andere manier lijfstraffen te geven. Iets dat trouwens ook bij andere honden misplaatst is. Er zijn mensen die een hond aanschaffen en van dat dier een `killer’ willen maken. In principe kan elke hond worden afgericht om agressief te zijn, maar er zijn rassen die daarvoor door hun aanleg meer geschikt zijn dan andere. Dat betekent echter niet, dat alle vertegenwoordigers van die rassen zo woest en agressief zijn als wel eens wordt gedacht. In de meeste gevallen loopt het agressief maken van een hond door een bepaalde training fout af. Wie een goede waakhond zoekt die aan het doel beantwoordt en tegelijkertijd evenwichtig is, zal zeker tevreden zijn met een intelligent opgevoede Argentijnse Dog. Want hij is met al zijn moed erg rustig als er niets aan de hand is. Bovendien blaft hij erg weinig. Hij lijkt niet op die hypernerveuze waakhonden die zonder ophouden springen of hijgend en grommend rondlopen. Bij hem is het eerder zo dat als hij blaft, het meestal te laat is om tussenbeide te komen; hij heeft de dief of inbreker dan meestal al ‘gesteld’, zoals dat heet. En als hij goed is opgevoed weet hij precies wat hij in dergelijke situaties moet doen. Als hij blaft betekent het een sein aan de baas dat hij de inbreker heeft ontdekt en dat hij het nodige heeft gedaan om deze tot staan te brengen!

Argentijnse Doggen zijn geharde, vrij sobere en erg natuurlijke honden. Ze leven het liefst binnenshuis, dus niet in een kennel. Dat is toch een vorm van opsluiting die voor een actieve hond, zo niet alle honden, niet erg prettig is. Ze hebben vanaf de puppyleeftijd veel contact met mensen nodig en evenals alle andere honden mogen ze niet in een soort isolement opgroeien. Ze vinden het fijn om met de baas mee op pad te gaan tijdens wandelingen op het strand, in het bos of op de hei, daar waar ze de ruimte hebben. Het zijn honden die graag bij het gezin zijn waarvan ze deel uitmaken. Ze gaan vrolijk overal mee naar toe, ook op visite bij kennissen en vrienden. Waarbij er uiteraard rekening mee moet worden gehouden of de hond welkom is. Niet iedereen vindt het prettig dat een viervoeter op bezoek komt, ook al is die uitstekend opgevoed.

De goed gesocialiseerde, goed opgevoede Argentijnse Dog kan prima met kinderen opschieten. Ouders kunnen op hem vertrouwen; als hij in hun buurt is, kan niemand de kinderen een haar krenken. Hij kan een uitstekend vriendje zijn voor kinderen, mits die niet te jong en dus te klein zijn (vanaf 12 jaar). De hond vindt zoiets erg fijn, hij is onvermoeibaar en altijd in voor spel.

Wat zijn houding ten opzichte van andere honden betreft: hij heeft het soms moeilijk om te vergeten wie zijn voorouders waren (vechthonden). Zijn behoefte om dominant te zijn ten opzichte van soortgenoten is dan ook meestal erg duidelijk. Maar er zijn ook dagen waarop hij zonder een spier te vertrekken langs honden zoals de Bullmastiff of de Mastino Napoletano loopt en zich van hun toch wel opvallende aanwezigheid niets aantrekt. De Argentijnse Dog is een hond van contrasten en soms lijkt het alsof hij daar plezier in heeft.

Wat zijn verzorging betreft, is de Argentijnse Dog in het voordeel ten opzichte van andere rassen van een dergelijk type. Hij kost naar verhouding minder. Hoewel hij erg robuust is, is hij niet erg veeleisend wat de hoe veelheid voedsel betreft die hij nodig heeft. Per dag heeft hij voldoende aan 400 tot 500 gram vochtige voeding. Dat is weinig voor een hond van zijn grootte er gewicht. De eigenaar merkt vanzelf dat het een sobere hond is, want als zijn Argentijn te veel voer krijgt, word hij uiteraard te dik.

Niemand kan zijn Argentijnse Dog in Europa meenemen op jacht. Dat houdt in dat deze hond hier genoegen moet nemen met flinke wandelingen. Geen enkele hond vindt het prettig om te kort buiten te zijn; de meeste honden vinden het buitenshuis, samen met de baas erg fijn. Buiten is altijd wel iets te doen; in ieder geval kan een hond er zijn energie kwijtraken. Dat i: nodig om thuis een evenwichtige viervoeter te blijven Honden die van nature de ruimte nodig hebben en die oorspronkelijk als jachthond werden gefokt, zijn viervoeters die beslist voldoende beweging moeten heb ben. De Argentijnse Dog behoort tot die rassen. Het is trouwens zo dat hij zijn afkomst ook op een andere manier niet verloochent. Hij is dol op het gezelschap van paarden en laat dat altijd merken als hij die ergens tegen komt.

STANDAARD

ALGEMEEN
Het is een hond die lijkt op de Duitse Dog; hij is echter kleiner, minder elegant en heeft een korte, witte vacht.

HOOFD
Bol-holrond, dat wil zeggen de schedel is bol zoals het bijterstype betaamt; de lijn van het gezicht en de snuit zijn hol, zoals dat hoort bij een reuktype. Het gezicht is even lang als de schedel; dat betekent dat de lijn die de twee wenkbrauwen verbindt, even ver is van de achterhoofdsknobbel als van de rand van de tandkassen van de bovenkaak. Als geheel moet de lijn van het gezicht enigszins opgebogen zijn. De schedel wordt gevormd door een massieve hersenpan, die bol is van voren naar achteren alsmede overdwars, door het reliëf van de kaakspieren en de nek. De achterhoofdsknobbel mag niet uitsteken, omdat de sterke nekspieren die volkomen vervagen; de nek is gewelfd. Lippen goed aansluitend, strak, met iets overstekende randen, zwart gepigmenteerd. De lip moet heel kort zijn, zodat – als de hond zich vastbijt – hij ook door de mondspleten kan ademhalen. Als de lip te veel overhangt, zelfs al is de kaak nogal lang, zou hij bij het inademen werken als een klep en op die manier de mondhoek dan afsluiten, hetgeen het dier zou beletten ook door de mond adem te halen als hij zich eenmaal heeft vastgebeten. Hierdoor zou hij genoodzaakt zijn even los te laten om geen ademnood te krijgen bij grote inspanning, zoals dit het geval is bij rassen met hanglippen. Neusspiegel diepzwart; wijde neusgaten.

GEBIT
Goed scharend; niet boven- of ondervoor-bijtend; het is sterk, met goed ingezette en korte tanden.

OREN
Hoog aangezet, staand of halfstaand; altijd gecoupeerd.

OGEN
Donker, overschaduwd door de oogleden, die van donkere of lichte randen zijn voorzien. Ze moeten ver van elkaar staan; de blik is levendig en schrander, maar tegelijkertijd ook met een opvallende hardheid.

LICHAAM
Ruime borstkas; van opzij gezien moet de onderbelijning lager liggen dan bij de ellebogen. De ruglijn is hoger bij de punt van de.schouder en verloopt lager naar het kruis. Bij volwassen honden vertoont de rug (als de rug- en lendenspieren goed zijn ontwikkeld) een middelmatige, brede geul langs de wervelkolom. Zwaar gespierde lendenen. Hoge, zeer krachtige schouder, sterk en met grote spierreliëfs. Hals sterk, gewelfd, sierlijk, met zware keelhuid, voorzien van plooien zoals bij de Mastin en niet’droog’ zoals bij de Bull Terrier. De rekbaarheid van de keelhuid wordt veroorzaakt door het celweefsel dat op die plek slap is, waardoor de keelhuid over de peeskap aan de oppervlakte glijdt, dusdanig, dat de slagtand of de klauw van de tegenstander (wild zwijn, poema, wolf enzovoort) alleen de huid kan verwonden en de hond, als zijn prooi hem bij de keel probeert te grijpen, zich toch kan vastbijten, omdat de keelhuid elastisch is en nogal wat meegeeft. Schouderhoogte en gewicht van reuen respectievelijk 62-65 cm en 40-50 kg; teven respectievelijk tot 5 cm en 5 kg minder. Deze minimumcijfers mogen niet worden overschreden.

BENEN
Voorbenen goed recht gesteld; achterbenen met zeer goed gespierde dijen en lage sprongen; geen Hubertusklauwen.

VOETEN
Voeten aan de voorbenen kort; aan voorbenen en achterbenen goed gesloten.

STAART
Lang, hoog gedragen maar nooit gekruld. Mag niet lager reiken dan tot aan de sprong. Tijdens het gevecht heeft de hond de staart voortdurend in beweging zoals hij dit doet als hij kwispelt of als hij met zijn baas speelt.

VACHT
Kort en vrij grof.

KLEUR
Geheel wit, slechts een kleine donkere of zwarte vlek bij de ogen of op het hoofd vóór de oren toegestaan.

BIJZONDERHEDEN
Diskwalificatie bij glasoog, doofheid, vlekken op het lichaam, langhaar, vleeskleurige neusspiegel, hanglippen, schuchterheid en iedere ongerijmdheid van de proportie van lichaamsdelen onderling, boven- of ondervoorbijten.