Airedale Terriër

PORTRET

RASGROEP: Terriërs
AARD: Opgewekt, intelligent
GEMIDDELDE LEVENSDUUR: 12 jaar
SCHOUDERHOOGTE: Ongeveer 58 cm
GEWICHT: Ongeveer 20 kg
VACHT: Hard, draadachtig; kleur black-and-tan
AANLEG: Jachthond; is waaks; prima gezelschapshond
OMGANG MET KINDEREN: Goed
OMGANG MET ANDERE HONDEN: Redelijk
LEEFRUIMTE: Liefst een huis met tuin
VACHTVERZORGING: Moet regelmatig worden getrimd

Airedale Terriër

Airedale Terriër

HERKOMST

De populaire Airedale Terriër is een betrekkelijk jong ras. Het is in de vorige eeuw in het Noordengelse graafschap Yorkshire ontstaan. Rond de stad Leeds werd veel op otters gejaagd omdat in de rivier de Aire veel van deze waterdieren waren te vinden. Voor de jacht op de otter was al lang naar een speciale hond gekeken, een die zonder moeite en met veel geestdrift in het moeras dook en in staat was om door te dringen tot de holen waarin de otters huisden.

Het probleem met een andere jager op otters (de Otterhound) was namelijk, dat deze niet het temperament had om zich in waterholen te wagen. Daar was dus een onstuimige, sluwe terriër voor nodig; één die moed, intelligentie en veel werklust had. Voor dit doel fokten de arbeiders van Leeds, de hoofdbewoners van het land rond de Aire, de toekomstige Airedale Terriër.

Ze kruisten de Otterhound met de Old English Brokenhaired Black and Tan Terriër. Door voortdurende selectie kwam in 1853 een ras te voorschijn dat Waterside Terriër werd genoemd, ook wel Bingley Terrier, Working Terriër of Warfedale Terriër. Sommige vermoeden dat ook de Bull Terriër een aandeel heeft gehad in de totstandkoming van het nieuwe ras. Iets dat niet ondenkbaar is, omdat de Airedale soms erg onverzettelijke en onvervaarde trekjes kan vertonen. In 1867 werd de nieuwe hond voor het eerst gezien tijdens een hondenshow in Keyghly, een plaatsje in het dal van de rivier de Aire. Hij was indertijd ingeschreven in een klasse voor ‘borken haired’ (ruwharige) honden.

In 1886 wordt de hond officieel als Airedale Terriër door de Britse Kennel Club erkend en er wordt een rasstandaard opgesteld. Er is weinig van de geschiedenis van de Airedale bekend, behalve dat een hond genaamd Jerry de ‘stamvader’ zou zijn. Van de Otterhound heeft de Airedale Terriër zijn kracht geërfd en zijn zwemtalent; van de Old English Brokenhaired Black and Tan Terriër de voortreffelijke reukzin en het gezichtsvermogen. Overigens is die voorvader van de Airedale Terriër inmiddels geheel verdwenen. De Airedale is met zijn schouderhoogte van 58-61 cm veruit de grootste terriër. De andere terriërs zijn van een middenslag of nog kleiner. Zijn grootte heeft hem populair gemaakt, want het is bekend dat hij ook waaks kan zijn.

Ondanks zijn populariteit als gezelschapshond blijft de Airedale een moedige jager. Er is geen groot wild waar deze atleet met de allure van een reuze Fox Terriër bang voor is. Hij weerstaat wilde zwijnen en herten. In Canada jaagt hij zelfs op beren en in Kenya op leeuwen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog had de Airedale een heel andere taak te vervullen dan waarvoor hij oorspronkelijk was gefokt. Hij werd in de loopgraven ingezet als verbindingshond, dit wil zeggen hij gaf berichten door. Van alle oorlogshonden was de Airedale in het Britse leger de meest belangrijke. Later werd hij opgenomen in de geallieerde legers en bij de Duitse en Britse politie. In Duitsland werd al snel een eigen, stevig en uiterst bruikbaar type gefokt. Nadat de Airedale stormenderhand Canada en de Verenigde Staten voor zich had ingenomen, kwam hij tussen de twee wereldoorlogen ook in Frankrijk terecht. Hij werd in eerste instantie meegenomen door Engelse textiel- en chemie industriëlen, die zich in Normandië vestigden. In Frankrijk maakte hij onmiddellijk furore, hoewel hij tijdens de Duitse bezetting wat minder in trek was. Kennelijk vond men deze hond toch wel erg ‘Brits’, iets dat in die tijd verdacht was.

Al in de 16e eeuw maakte een Dr. Stilt, bisschop van Bath, in een gedicht gewag van het geluk dat God de mens had gegeven door er voor te zorgen dat er zulke moedige terriërs waren. Die moedigheid van de terriërs is spreekwoordelijk. Uiteraard maakt de Airedale een stoere indruk, alleen al vanwege zijn grootte. Daar hoeft hij niet eens een terriër voor te zijn. Maar dat hij niet alleen moedig, maar ook nog lief kan zijn, bewijst een uitdrukking uit de jaren ’20 in de Verenigde Staten. Als iemand er om bekend stond dat hij erg aardig was, werd hij ‘very Airedale’ genoemd. Een groter compliment kan eigenlijk niet.

STANDAARD

ALGEMEEN
De grootste terriër. Gespierd, actief, tamelijk compact. Zonder spoor van langbenigheid of overdreven -lichaamslengte. Hond met een levendige uitdrukking, snel van beweging, altijd alert op de minste beweging. De aard spreekt uit de uitdrukking van de ogen en de dracht van de oren en de staart.

Gemakkelijk in de omgang, vol zelfvertrouwen, vriendelijk, moedig en intelligent. Steeds op zijn hoede, niet agressief, maar onbevreesd.

HOOFD
Schedel: lang en vlak, tussen de oren niet te breed; naar de ogen toe iets versmallend. Goede verhoudingen, in lengte geen verschil tussen schedel en voorsnuit; geen rimpels.

Stop nauwelijks waarneembaar; wangen vlak, niet vol. Voorsnuit voor de ogen goed opgevuld, geen holle neusrug en direct onder de ogen niet ingevallen; fijn gebeitelde vorm, daardoor niet wigvormig of gewoon.
Boven- en onderkaak: diep, krachtig, sterk en gespierd, want een sterke voorsnuit is zeer gewenst. Geen overdreven ontwikkelde kaken, waardoor de wangen opvallen of bol lijken; overdreven wangen mogen niet. Goed aangesloten lippen. Zwarte neusspiegel.

GEBIT
Sterke tanden, sterke kaken. Bij voorkeur een recht op de kaken geplaatst schaargebit (bovensnijtanden overlappen de ondersnijtanden nauw), maar een tanggebit is toegestaan. Bovenvoorbijten of onder-voorbijten is een fout.

OREN
V-vormig, zijwaarts gedragen, klein, maar passend bij de grootte van de hond. De bovenlijn van het gevouwen oor bevindt zich iets boven het schedelvlak. Hangoren of te hoog aangezette oren zijn fout.

OGEN
Donker van kleur, klein, niet uitpuilend, levendige, intelligente terriër uitdrukking. Een licht gekleurd of een groot rond oog zijn verboden.

LICHAAM
Rug: kort, sterk, recht en vlak; mag niet doorbuigen. Gespierde lendepartij, ribben goed ontwikkeld. Bij honden met korte lendenen en goed ontwikkelde ribben is weinig ruimte tussen ribben en heupen. Als de hond lang in de lendenen is, kan sprake zijn van enige slapheid. Borst diep (ongeveer tot op de ellebogen), maar niet breed.
Schouderhoogte reuen: ongeveer 58-61 cm, teven: ongeveer 56-59 cm.

Hals: zuiver belijnd, droog en gespierd, van middelmatige lengte en omvang. Verbreedt zich geleidelijk aan in de richting van de schouders; vrij van keelhuid.

BENEN
Schouders: lang, schuin en goed naar achteren liggend. Vlakke schouderbladen. Voorbenen volkomen recht, met een goede beenderstructuur. Ellebogen loodrecht op het lichaam, vrij langs de zijden bewegend. Dijen lang en krachtig, gespierde schenkel. Goed gehoekte knieën, naar binnen noch naar buiten gedraaid. Goed lage sprongen, van achteren gezien evenwijdig aan elkaar.

Gangen en beweging: de benen worden recht vooruit bewogen. De voorbenen bewegen vrij en evenwijdig met de zijden. Van voren gezien bevinden de voorbenen zich op een rechte lijn in het verlengde van het front; de voeten staan even ver van elkaar als de ellebogen. De kracht van de voorwaartse beweging komt vanuit de achterhand.

VOETEN
Klein, rond en compact, met goed dikke voetkussens en matig gebogen tenen. Niet naar binnen of naar buiten gedraaid.

STAART
Hoog aangezet en vrolijk gedragen, maar niet over de rug gekruld. Van voldoende kracht en substantie. Gewoonlijk ingekort. Punt ongeveer gelijk met de top van de schedel.

VACHT
Hard, dicht en draadachtig, niet zo lang om overbehaard te lijken. De vacht is glad, recht en gesloten en bedekt lichaam en benen. Bovenvacht hard, draadachtig en stug. Ondervacht korter en zachter. De hardste haren zijn kronkelig of heel licht gegolfd. Een gekrulde of een zachte vacht is een ernstige fout.

KLEUR
Rug-, croupe, ribben- en lendepartij, nek en bovenkant van de staart zwart of grijs. Alle andere gedeelten tankleurig. Oren meestal donkerder; een donkere aftekening kan voorkomen rond de hals en op de zijden van de schedel. Enige witte haren tussen de voorbenen zijn toegestaan.

BIJZONDERHEDEN
Iedere afwijking van het bovenstaande moet als een fout worden beschouwd, waarbij de mate van de fout de ernst van de beoordeling bepaalt.
Aantekening: reuen dienen twee duidelijk normale testikels te hebben, volledig ingedaald in het scrotum.

GEDRAG

In een gezin is deze hond aangenaam, heel geduldig met kinderen, zelfs met kleintjes. Het is een echte speelkameraad en een onvermoeibare stoeier. De Airedale kan waaks zijn, al behoort hij niet tot de rassen die in de regel als waak- en verdedigingshond worden opgeleid.

Wie een echte waakhond nodig heeft, kan dus beter geen Airedale nemen. Maar dat neemt niet weg dat hij instinctief zijn gezin en zijn huis beschermt. Wie een Airedale aanschaft, moet weten dat er onder het vrolijke, opgewekte karakter een bijzonder vastberaden hond verborgen zit die als hij iets in zijn hoofd heeft dat niet zo snel wil vergeten. Vastberadenheid (door sommigen eigenwijsheid of koppigheid genoemd) is een van zijn sterke punten. Gelukkig wordt dit trekje gecompenseerd door zijn intelligentie. Airedale Terriërs kunnen makkelijk worden opgevoed. Daar moet echter vroeg mee worden begonnen, het liefst al tijdens de puppyleeftijd. Ze zijn niet hardleers en gehoorzamen graag, al zijn ze eigengereider dan bijvoorbeeld een herdershond. Verwacht echter niet ineens te veel van zo’n hond, want Airedales blijven lang jong. De Airedale is net als de meeste andere terriërs, een hond waarmee je je niet snel verveelt. Hij vindt water heerlijk en vindt het ook fijn om mee te gaan op een langere strandwandeling. Af en toe een duik in zee is dan verrukkelijk. Een stuk hout of een bal zal hij graag apporteren. Het is geen hond die alsmaar hetzelfde wil doen, zelfs niet als hij zijn baas er mee kan plezieren. Hij neemt zelf het initiatief om een einde aan het spelletje te maken. Een heel belangrijk punt in zijn voordeel is dat hij niet overdreven veel blaft, zoals sommige kleine terriërs wel graag doen. Hij kan dus ook in een omgeving worden gehouden waar veel mensen dicht bij elkaar wonen, bijvoorbeeld in een flat of in een eengezinswoning. Bovendien kan hij goed worden opgevoed, zodat hij een echte gezelschapshond is, een fijne kameraad voor het hele gezin. Hij blijft graag jagen; dat is zijn lust en zijn leven. Hij kan zelfs beren en leeuwen aan, dus zijn baas hoeft zich er niet over te verbazen als hij in het bos eens achter een konijntje aan wil. Ook zijn zwemtalent en zijn liefde voor water is hij niet kwijt. Het is een robuust ras; veel problemen met de gezondheid kent hij niet. Uiteraard mag de vacht niet worden verwaarloosd. Als honden met zo’n vacht niet regelmatig (meestal twee keer per jaar) worden getrimd, kunnen huid- en vachtproblemen ontstaan.

De Airedale mag beslist niet worden geschoren; de vacht moet met de hand plukje voor plukje worden uitgetrokken. Wie dat niet zelf kan doen, moet de hond naar een deskundige trimmer brengen.

Airedales gaan redelijk om met andere honden, maar omdat ze zo zelfverzekerd zijn en het onstuimige terriër temperament hebben, kan een ruzietje met een soortgenoot wel eens voorkomen.

Wie van een lieve, soms wat eigengereide, aantrekkelijk ogende berenvanger houdt, zou het best met een Airedale kunnen vinden.

VACHTVERZORGING

De Airedale behoort tot de honden die regelmatig moeten worden getrimd (gemiddeld twee keer per jaar). Een belangrijk punt: hij mag beslist niet worden geschoren, maar moet worden gestript (de dode haren moeten met de hand worden uitgetrokken). Verder moet hij nu en dan worden geborsteld en gekamd.

Het showklaar maken is een vak apart en kan het beste aan een deskundige worden overgelaten, omdat elke terriër zijn eigen showtrim heeft. Het hoofd moet lang en fijn zijn en van de oren worden zowel aan de binnenkant als aan de buitenkant de lange haren verwijderd. Ook het haar op de schedel en de wangen wordt heel kort gehouden. De baard en de snor moeten blijven en worden naar voren gekamd, zodat de snuit nog langer lijkt. Ook de wenkbrauwen mogen niet te kort zijn. Op de borst is de vacht kort zodat het front smal is. Op de rug wordt het haar zo getrimd, dat die recht is.

Vooral de zijkanten van het lichaam, de flanken en de achterkant van de dijen moeten zorgvuldig worden getrimd, om de hond zo kort mogelijk te laten lijken. De staart wordt ook getrimd en moet harmonieus bij de rest van het lichaam passen.

VERWANTE RASSEN

De Airedale is niet alleen de grootste onder de terriërs, hij is ook een van de meest recente. Dat verklaart dat ‘oudere hij nogal wat familie heeft. Misschien was de Fox Terriër (de draadharige en de gladharige) ooit wel de meest bekende. Hij is veel kleiner (schouderhoogte 38-40 cm), maar als jager even hartstochtelijk en volhardend. De Fox was, zoals de rasnaam al doet vermoeden, ooit een vossenjager; pas aan het begin van de 20e eeuw werd hij als gezelschapshond erg populair. De Lakeland Terriër, met zijn vacht in tere tinten, duikt pas in 1921 in de annalen van de geschiedenis op. Hij stamt uit het noordelijk merengebied in Engeland en kan qua grootte weliswaar niet, maar qua allure wel tegen zijn grote neef op. De Ierse Terriër, het ras waarvan het moderne type tegen 1870 werd vastgelegd is een erg oude hond, die bijzonder moedig is. Zonder schroom springt hij naar een veel sterkere tegenstander. Niet dat zoiets altijd even prettig is voor de betrokkenen. De Kerry Blue Terriër, een nogal onbekende, maar beslist erg aantrekkelijke hond, is eveneens afkomstig uit Ierland en ook hij kent geen enkele vrees. Hij is groter en zwaarder dan de Fox Terriër, want de schouderhoogte is hoger dan 48 cm. De vacht is, zoals de rasnaam al aangeeft, donkerblauw tot grijs met een blauwig zweem. De Welsh Terriër lijkt op een mini-Airedale. Ook hij jaagt graag en hij staat zijn mannetje, zoals dat heet. De terriërs die hier werden genoemd lijken het mees op de `Koning der Terriërs’; de andere staan verder van hem af; vooral in uiterlijk.