Ariegéois

PORTRET

RASGROEP: Dashonden en Lopende Honden
AARD: Levendig, vasthoudend, actief tijdens het werken
GEMIDDELDE LEVENSDUUR: 8 -10 jaar
SCHOUDERHOOGTE: 55 – 60 cm
GEWICHT: Ongeveer 30 kg
VACHT: Zwart-wit, met weinig donkere vlekjes; lichtrode aftekeningen
AANLEG: Jachthond voor de lange jacht op hazen en de jacht onder het geweer voor elk ander wild
OMGANG MET KINDEREN: Is geen gezelschapshond
OMGANG MET ANDERE HONDEN: Meutehond
LEEFRUIMTE: Niet aangepast aan het leven in een flat of kleine woning
VACHTVERZORGING: Weinig

Ariégeois

Ariégeois

HERKOMST

De Ariégeois is een bijzonder fraaie en elegante jachthond. Hij is een waardige vertegenwoordiger van de voortreffelijke brakken die in de loop van de eeuwen in verschillende streken van Frankrijk werden gefokt; rassen die de Franse hondenwereld stuk voor stuk op een geweldige manier hebben verrijkt. Toch is dit een hond die aan het eind van de 19e eeuw bijna was verdwenen. Hierover schreef de Franse kenner Pierre Mégnin in zijn boek ‘Le Chien et ses races’: ‘De Ariégeois is als ras dusdanig in verval geraakt, dat hij er waarschijnlijk niet meer bovenop komt’. En hij voegde er aan toe: ‘Artésiens en Porcelaines zijn als zuiver ras op sterven na dood. Afgezien van een paar nogal zeldzame exemplaren zijn er alleen nog maar Artésiens-Normands en Harriers-Porcelaines’.

Dit pessimisme was indertijd heel gegrond, maar gelukkig is de voorspelling niet uitgekomen. Hoewel de Brak van de Ariège, zoals de Ariégeois ook wel wordt genoemd, ook tegenwoordig nog relatief zeldzaam is, bestaan er heel fraaie exemplaren, met name in Saint Girons in het zuiden van Frankrijk; en in de Haute Garonne en in de Gers.

De Ariégeois is een halfbloed, ofwel ‘chien coupé’, zoals dat in Frankrijk wordt genoemd. Hij is het resultaat van kruisingen tussen honden van verschillend ras. De vaders zijn honden van zuiver ras (‘pur sang’) zoals de Gascon-Saintongeois (ook Virelade genoemd) of de Bleu de Gascogne en de moeders zijn de beste Briquet teven die konden worden gevonden. Briquets zijn jachthonden die niet tot een bepaald ras behoren, maar die wel uitmuntende jachteigenschappen hebben. In 1890 werden op een hondententoonstelling in Parijs Brakken van de Ariège uitgebracht die het eigendom waren van een Monsieur Aldebert. De vader van deze honden was een zuivere virelade genaamd Tapageur en de moeder was een Grand Briquetteef uit de Ariège die de naam Sappho droeg. Graaf Elie de Vezins, die een van de beroemdste jagers was in zijn streek, heeft een beschrijving van deze honden nagelaten. `De Chien de l’Ariège, het resultaat van een kruising tussen een bestaand ras en een Briquet heeft de typische uiterlijke kenmerken behouden van de meest

zuivere jachthond, maar is slanker, kleiner en lichter. Hij meet ongeveer 21 duim; is voornaam, is in het geheel licht van bouw, heeft een droog, lang hoofd met een geprononceerde achterhoofdsknobbel, en een laag aangezet, fijn oor, een fijne staart en hazenvoeten. Tot zover de beschrijving van de graaf, die veel praktische kennis van jachthonden bezat.

De honden van de eerste generatie vertoonden een zekere evenwichtigheid. Dat wil zeggen een onderlinge uniformiteit in hun uiterlijk, want elk individu erft 50% van het genetisch erfdeel van de vader en 50% van de moeder. Maar in de volgende generaties was dat anders. Uit de erfelijkheidsleer is bekend dat in geval van raskruisingen de nakomelingen in de volgende generaties, voordat het ras als zodanig definitief geformeerd is, in type nogal van elkaar kunnen verschillen. De betreffende erfelijke factoren, die tijdelijk door de kruising werden verhuld, komen dan weer tot uiting. Het ene individu erft bijvoorbeeld veel van de uiterlijke kenmerken van een bepaalde grootouder en het andere kan die van de andere grootouder, van het andere ras in zijn of haar uiterlijk vertonen. Voor de Ariégeois betekende dat, dat er nakomelingen werden geboren die dichter bij het type van de Bleu de Gascogne stonden, dus zwaarder van bouw waren en andere die daarentegen meer op Gascons-Saintongeois leken, die een stuk fijner en eleganter zijn.

Dankzij de activiteiten van de betreffende rasvereniging konden de Bleus zich voortdurend verbeteren. De Gascons-Saintongeois daarentegen, maakten een periode door die een dieptepunt genoemd mag worden. Dat had ook negatieve invloed op de fokkerij van de Ariégeois. Indertijd werden, vooral onder reuen, veel exemplaren gezien die enorm massief waren en sterk eden denken aan de Bleu de Gascogne. Een zware hond kan nooit worden aanbevolen voor de jacht op hazen. Hij kan eigenlijk niet eens meedoen tijdens de jacht in moeilijk begaanbaar terrein, vooral in de bergen.

Gelukkig lijkt het ras haar voortreffelijke eigenschappen tegenwoordig weer terug te hebben. Dat is ongetwijfeld te danken aan een opleving die de GasconsSaintongeois sedert enkele jaren hebben doorgemaakt. Deze honden zijn inmiddels een stuk lichter in bouw en veel eleganter geworden. Het hoofd is droger en de schedel weliswaar smaller, maar nog te vlak voor een fraai aangegeven, opvallend uitstekende :achterhoofdsknobbel. De oren zijn nog steeds erg Frans’, maar af en toe nogal lang; ze lijken op die van Bleus de Gascogne en de Gascons-Saintongeois, terwijl de invloed van de Briquet ze korter had gemaakt. Het weefsel van de honden is echter tamelijk droog en het onderste ooglid, dat niet meer zo uitgerekt is, vertoont geen rood bindweefsel. De invloed van de Bleu de Gascogne is nog te merken aan de rode aftekeningen op de wangen en boven de ogen. Dat rood is tamelijk diep van tint, terwijl ze eigenlijk bleek van kleur zouden moeten zijn. Tot slot mag nog worden vermeld dat de Ariégeois vaak wat ‘bone’ tekort komt, dat wil zeggen dat hij een iets zwaardere beenderstructuur zou mogen hebben. En dat hij voor dat doel best een beetje invloed van bijvoorbeeld de Harrier of de Anglo-Français de Petite Vénerie zou kunnen gebruiken.

GEDRAG

De Ariégeois is een ongekunsteld dier, dat uitstekend geschikt is voor de jacht op klein wild. Hij is absoluut geen gezelschapshond. Omdat hij een schouderhoogte heeft van bijna 60 cm, is hij eigenlijk iets te groot voor de jacht op hazen; de ideale schouderhoogte die een jachthond daarvoor moet hebben ligt tussen 48 – 55 cm.

De Brak van de Ariège werd altijd gewaardeerd vanwege de kwaliteiten die de Briquet heeft ingebracht in het ras, voornamelijk eigenschappen als intelligentie, levendigheid en snelheid, gezondheid, slimheid, werklust en inzet tijdens het werken, volharding en de mogelijkheid om een verloren spoor te hervinden.

Ariégeois hebben in het algemeen een goede stem, die lager en ernstiger is dan die van de andere brakken. Ze hebben een tamelijk fijne neus, iets dat een noodzakelijke eigenschap is aan de Franse kant van Het Kanaal. Zoals de bekende Franse hondenliefhebber de Kermadec 30 jaar geleden al zei, wordt in Frankrijk niet op dezelfde manier op de haas gejaagd als in Engeland, waar dat met ‘veel honden en veel paarden’ gebeurt. En het spoor van de haas dat even licht is als dat van een ree, vervliegt snel naarmate de tijd verstrijkt.

Ariégeois zijn gehoorzamer dan Briquets en ze zijn ook meer spoorzeker. Ze zijn uitstekend geschikt voorde hazenjacht, de jacht op de ree en het wilde zwijn, maar het zijn geen honden voor konijnen. Zoals alle Zuid Franse jachthonden voelen ze zich in hun element in droog, zandig en rotsachtig terrein en hun eigenaars zeggen allemaal dat ze het nachtspoor (het spoor van de vorige dag) van de haas beter opsporen dan hun soortgenoten. Sedert een paar jaar is de Ariégeois behalve in het zuiden van Frankrijk ook in het westen van dit land te vinden, waar hij een inbreng heeft gehad in de fokkerij van de Anglo-Français. De honden van Philippe Mitterrand, de broer van de president van Frankrijk, zijn er een volmaakt voorbeeld van. Ze zijn ontstaan uit kruisingen tussen Ariégeois en zuivere Harriers. De honden die uit deze kruisingen zijn ontstaan verschillen van de Anglo-Français de Petite Vénerie door hun langere oren en van de Ariégeois door een duidelijk verbeterde bouw van het lichaam. Ze zijn onderling gelijkmatig van type, robuust en vol weerstandvermogen en het zijn voortreffelijke honden voor de hazenjacht.

De echte Ariégeois van Saint-Girons daarentegen zijn volkomen Frans. Bewust is altijd vermeden om welk Engels bloed dan ook in te fokken. Dat kan eigenlijk alleen maar worden betreurd, want Britse inbreng kan alleen maar goed voor ze zijn, vooral om een steviger beendergestel te krijgen en om sterker te worden.

STANDAARD

ALGEMEEN
Licht, fijn, voornaam. Beweegt zich soepel en gemakkelijk.

HOOFD
Droog, lang, licht geheel, geen rimpels of losse keelhuid. Voorhoofd recht of enigszins gewelfd. Schedel eerder smal dan breed. Duidelijk zichtbare en uitstekende achterhoofdsknobbel. Neusspiegel zwart, goed geopende neusgaten. Lippen hangen alleen over de onderkaak.

GEBIT
Scharend gebit.

OREN
Fijn, soepel, gedraaid, laag aangezet, maar niet te lang.

OGEN
Donker, goed geopend, maar er mag geen rood bindweefsel te zien zijn door een uitgerekt onderste ooglid; lieve uitdrukking.

LICHAAM
Diepe borst, reikt bijna tot de ellebogen, bij voorkeur tot de ellebogen. Borst eerder iets afgeplat dan breed en rond. Goed geplaatste schouder. Lichte, eerder slanke hals, lang en enigszins gebogen. Lange, matig ronde ribben. Buik in het algemeen enigszins opgetrokken. Rechte lendenen, van gemiddelde breedte en goed aangesloten. Licht ingevallen flanken, eerder vlak dan rond. Horizontaal kruis, niet lager of hoger dan de voorhand. Enigszins vlakke dijen. Huid fijn en soepel, niet te nauwsluitend om het lichaam.
Schouderhoogte 55-60 voor reuen; 53-58 cm voor teven.

BENEN
Voorbenen goed recht, breed, ellebogen goed aangesloten. Achterbenen: sprongen niet recht, maar niet te sterk gebogen.

VOETEN
Droog, zogenaamde hazenvoeten.

STAART
Goed aangezet, sabelvormig en vrolijk gedragen.

VACHT
Kort, fijn en aaneengesloten.

KLEUR
Zwart en wit (zwart diepzwart, niet vaal), soms gespikkeld of blauw, lichtrode aftekeningen op de wangen en boven de ogen; dieprood wordt niet uitgesloten.

BIJZONDERHEDEN
Afwijkingen: boven- of ondervoorbijten, monorchisme, cryptorchisme. Honden die de volgende ongewenste eigenschappen vertonen mogen niet voor de fokkerij worden gebruikt: algemeen type dat niet aan de standaard beantwoordt; meer dan 2 cm groter of kleiner dan in de standaard wordt verlangd, behalve voor uitzonderlijke exemplaren; onvoldoende bouw of beenderstructuur waardoor de hond niet geschikt is voor de jacht; staartafwijkingen; aanwezigheid van Hubertusklauwen of elk spoor van een litteken waaruit blijkt dat Hubertusklauwen van de achterbenen zijn verwijderd. Vacht die niet aan de standaard beantwoordt. Overdreven pigmentverlies op de oogleden, het scrotum of de vulva. Te levendig rood van de aftekeningen. Erg lichte ogen.

 VERWANTE RASSEN

Een aantal brakken voor de jacht op klein wild (haas, vos) lijken erg op de Brak van de Ariège, vooral de Petit Bleu de Gascogne, die erg op de Grand Bleu de Gascogne lijkt, maar die toch een zwaarder hoofd heeft, soms wat keelhuid toont, losser weefsel heeft en zwaarder gespierd is. De Ariégeois is door de inbreng van de Briquet sneller en heeft ook een andere vachtkleur dan de Petit Bleu de Gascogne, namelijk wit met zwart (het zwart moet diepzwart, niet vaal van kleur zijn) en is soms voorzien van kleine donkere vlekjes. Er is ook een verschil met betrekking tot de rode aftekeningen die altijd bleek van kleur moeten zijn; die van zijn neef daarentegen, moeten juist dieprood zijn. Verder is bij de Ariégeois geen bindweefsel te zien doordat het onderste ooglid te los is. Bij hem moet het onderste ooglid strak aansluiten.

De Chien d’Artois, die driekleurig is zoals veel Anglo-Français de Petite Vénerie, was 20 jaar geleden ook bijna verdwenen. Gelukkig hebben enkele fokkers zich het lot van dit ras aangetrokken en dankzij hun vasthoudendheid bestaan deze honden nog. Ze kunnen beslist niet met de Ariégeois worden verward. Er is een opvallend verschil tussen de oren van de een en de ander; die van de Ariégeois zijn fijn, gedraaid, niet te lang en laag aangezet; die van de Chien d’Artois daarentegen, zijn vlak, rond en hoog aangezet.

Hoewel. de Porcelaine even groot is als de Ariégeois, kan hij niet voor zijn neef worden aangezien, alleen al door het verschil in vachtkleur. Hij is wit met hier en daar citroengele kleine vlekjes. Bovendien heeft hij een grotere schedel, een vlakkere stop (overgang van voorhoofd naar neusbrug) en hij heeft een heel andere aard.