Appenzeller Sennenhund

PORTRET

RASGROEP: Herdershonden en Veedrijvers
AARD:  Levendig en wantrouwend, blaft graag
GEMIDDELDE LEVENSDUUR: 12 jaar
SCHOUDERHOOGTE: 52-58 cm voor reuen; 48-54 cm voor teven
GEWICHT: Ongeveer 20 kg
VACHT: Driekleur (zwart met witte en roestbruine aftekeningen)
AANLEG: Veedrijver; is waaks
OMGANG MET KINDEREN: Voortreffelijk
OMGANG MET ANDERE HONDEN: Goed
LEEFRUIMTE: Liever niet in de stad
VACHTVERZORGING: Weinig

Appenzeller Sennenhund

Appenzeller Sennenhund

HERKOMST

De rasnaam van de Appenzeller Sennenhond is afgeleid van de naam van het kanton Appenzell in het noordwesten van Zwitserland. Daar werd de hond vanaf het einde van de 19e eeuw planmatig gefokt. Zwitserland is hét alpenland van Europa; een land van bergen en sappige bergweiden; al eeuwenlang exporteren de Zwitsers melkproducten. In die economie spelen runderen een rol van grote betekenis.

De veehouders hadden moedige, sobere en intelligente honden nodig die de kudden niet alleen konden bewaken, maar ze ook van de ene plaats naar de andere konden drijven op zoek naar de beste plekken met weidegrond. Hoewel overal waar runderkudden waren veedrijvershonden konden worden gebruikt, hield dit niet in dat deze werkhonden identiek waren. In de dalen hebben zich in de loop van de eeuwen heel verschillende locale typen ontwikkeld. Dat gebeurde omdat elke omgeving eigen voorwaarden had waaraan de honden zich moesten aanpassen. Het is een wetmatigheid in de natuur dat rassen zich in een geïsoleerde omgeving heel goed in een eigen richting kunnen ontwikkelen. Dat was precies wat zich in de Zwitserse dalen afspeelde: door isolement bleven de locale slagen vrij van vreemde invloeden. Ofwel geografisch isolement is een beste garantie voor de zuiverheid van een ras.

De afkomst van de Appenzeller Sennenhond is net als die van de andere Zwitserse sennenhonden nogal vaag. Sommige deskundigen zijn van mening dat ze afstammen van Tibetaanse Doggen die door de Foeniciërs en de Grieken naar Europa zouden zijn gebracht en een paar eeuwen later met de Romeinse legers in het tegenwoordige Zwitserland terechtkwamen. Uit deze Tibetaanse Doggen die zelf al niet uniform van uiterlijk waren, zouden zich door vermenging met de diverse locale slagen in de diverse Zwitserse streken verschillende typen van Sennenhonden hebben ontwikkeld. Er zijn inmiddels vier aparte rassen: de twee wat kleinere en lichtere zijn de Appenzeller en de Entlebucher Sennenhond; de twee grotere en zwaardere zijn de Berner en de Grote Zwitserse Sennenhond. Andere deskundigen weerleggen deze versie. Vooral omdat er geen ‘harde’ bewijzen voor zijn. Er zijn geen afbeeldingen uit die periode of beendervondsten die de theorie zouden kunnen staven. Zij baseren hun stelling op de vondst van beenderresten van honden var heel verschillend type, die zonder enige twijfel dateren uit een periode van vóór de Romeinse overheersing Zij geven de voorkeur aan de theorie dat de Appenzeller Sennenhond zijn huidige staat te danken heeft aar authentieke Zwitserse voorouders.

De Appenzeller Sennenhond werd tot aan het einde van de 19e eeuw uitsluitend gebruikt door veehouder: in het kanton Appenzell en werd beslist niet als een apart ras beschouwd. Er was geen deskundige die zich op een wetenschappelijke manier in deze honden verdiepte. Dat veranderde in 1890, toen Max Siber – een inspecteur van waterstaat en bosbouw – een aantal mensen die er iets van konden weten aanspoorde om hun gegevens op papier te zetten. Toen dat een t was, ontstond iets meer belangstelling van buitenaf voor de Appenzeller Sennenhond. Om de fokkerij te stimuleren zorgde Siber er voor dat van staatswege premies werden uitgeloofd aan honden die op tentoonstellingen werden uitgebracht. Zo verschenen in 1898 ongeveer 30 honden die al behoorlijk gelijkmatig van type waren op de jaarmarkt van Alstätten, waar ze onmiddellijk sterk de aandacht trokken. Het probleem was, dat veel van deze honden waren gecastreerd en voor de fokkerij dus weinig waarde hadden. Toch konden de eigenaren van negen reuen en zeven teven premies in ontvangst nemen die varieerden van 5 tot 20 Zwitserse franken. Ook veehouders die uit andere kantons afkomstig waren herkenden de kwaliteiten van de Appenzeller Sennenhond, die een goede werker is. Indertijd waren honden vooral nuttige dieren; ze moesten veedrijven, schapen hoeden, de kudden beschermen en waken enzovoort. Of ze als gezelschapsdier voor de mens deugden was veel minder belangrijk; het waren zeker geen troeteldieren. Een hond moest nuttig zijn en kunnen meewerken. Hij moest normaal gebouwd zijn en een voor het werk uitermate geschikt karakter hebben. Boeren en veehouders konden zich niet veroorloven met nerveuze of overdreven agressieve honden op te trekken. Met honden die niet bij elk weer konden drijven, rennen, de kudde bij elkaar houden en ’s nachts ook nog konden waken, werden korte metten gemaakt. Dat betekende castratie of de dood. Nadat Max Siber, die een impuls in de juiste richting had gegeven in 1899 was overleden, verflauwde de belangstelling voor de Appenzeller Sennenhond. Het was de bekende hondendeskundige professor A. Heim (die overigens vergeleken kan worden mei de bekende Duitse kynoloog von Stephanitz) die de draad opnam. Samen met de slachthuisdirecteur J. Gmunder, een andere liefhebber van het ras, richtte hij in 1906 in Sankt Gallen de Club für Appenzeller Sennenhunde op. Dat deed indertijd veel stof opwaaien, want iemand die een hondenclub oprichtte kon niet bij zijn gezonde verstand zijn.

Appenzeller Sennenhonden worden ook tegenwoordig nog erg gewaardeerd als werkhond. Het zijn veedrijvers bij uitstek, maar ze worden ook in andere disciplines ingezet, bijvoorbeeld als lawinehond, rampenhond (na aardbevingen) of als waak- en verdedigingshond. In Nederland en België is het ras niet erg bekend, omdat het een uitgesproken werkhond is. Daar staat tegenover dat een andere Sennenhond uit Zwitserland, de Berner Sennenhond, hier wel erg populair is als gezelschapshond.

GEDRAG

Wie voor het eerst een Appenzeller Sennenhond ziet, merkt dadelijk dat het een volkomen ongekunsteld dier is. Het is een ras dat zo natuurlijk aandoet, dat veel mensen hem niet eens voor een ‘rashond’ aanzien. Appenzellers zijn eigenlijk het best op hun plaats in een landelijke omgeving, bijvoorbeeld op een boerderij. Ook in Zwitserland is het geen stadshond. Daar wordt hij nog steeds als werker ingezet; hij is stevig gebouwd, staat op sterke benen en kan zich ook in moeilijk begaanbaar terrein bijzonder goed verplaatsen.

Het is een hond met een evenwichtige aard en een flinke dosis zelfverzekerdheid die hij voor zijn oorspronkelijke werk, het veedrijven, nodig heeft. Hij is onvoorwaardelijk trouw aan zijn baas en het gezin en hoewel er gehard uitziet, wil dat beslist niet zeggen dat hij zelf geen behoefte zou hebben aan liefde, genegenheid en aandacht. Hij is graag in de buurt van de mensen op wie hij gesteld is. Bovendien kan hij erg lief met kinderen omgaan. Ten opzichte van onbekenden kan hij zich nogal afstandelijk opstellen, zonder dat hij een harde, onprettige houding aanneemt. Hij is erg waaks. Iemand die van zijn baas het huis niet in mag, komt er bij hem ook niet in. Dat is bij de Appenzeller Sennenhond een natuurlijke houding; het hoeft hem niet te worden aangeleerd. Herdershonden en veedrijvers ‘herderen’ vaak van nature. Toch moeten de meeste van die honden een speciale opleiding krijgen om als veedrijver of als herder te kunnen worden gebruikt. Een goed opgeleide sennenhond drijft het vee op een heel speciale manier, namelijk met behulp van het zogenaamde ‘stechen’, eer snel, flitsend kort bijten in de koot van een achterpoot, van de koe. Daar moet een hond behalve behendig (snel weer weg zijn) ook subtiel voor zijn, want hard doorbijten mag niet. Het moet een kort bijten zijn, meel een soort knijpen.

Wie een Appenzeller Sennenhond als gezelschapshond in een woning in de stad wil houden, moet bedenken dat deze honden zich eigenlijk alleen maar prettic voelen als ze iets te doen hebben. Ze hebben van binnenuit te veel energie om de hele dag in huis te liggen suffen. Bovendien zijn ze niet altijd stil, want ze blaffen graag. Appenzeller Sennenhonden zijn kleiner dan de Berner Sennenhond, maar daarom hebben ze beslist niet minder ruimte nodig. Het leven op een flatje is eigenlijk niets voor ze, omdat ze erg levendig en bijna al. tijd in beweging zijn. Het zijn honden voor een lever buiten de stad. Ze lopen graag en stellen flinke wandelingen dan ook bijzonder op prijs. Door de eeuwen heen zijn het sobere honden gebleven, die in weer en wind hun werk deden. De baas hoeft dus niet thuis te blijven als het motregent. Een Appenzeller kan best tegen een buitje.

STANDAARD

ALGEMEEN
Middelgrote, bijna vierkant, goed gebouwde hond; met een stevig gespierd, levendig lichaam. Heeft een guitige uitdrukking.

HOOFD
In afmeting passend bij het lichaam. Bovenschedel vrij vlak, het breedst tussen de oren en naar voren toe gelijkmatig toelopend. Lichte groef in het voorhoofd en tussen de ogen. Geleidelijk verlopende stop en vrij vlakke overgang van de zijkant van de schedel naar de voorsnuit. Vrij krachtige voorsnuit, die zich naar de neus toe iets versmalt. De lengte van de voorsnuit verhoudt zich tot de lengte van de bovenschedel als 4:5.

GEBIT
Schaargebit (tanggebit toegestaan).

OREN
Oren vrij hoog aangezet, hangend gedragen, driehoekig, aangesloten tegen het hoofd; als de hond attent is bij de aanzet opgetrokken en naar voren gedraaid, zodat van voren bezien het hele hoofd inclusief de oren uitgesproken driehoekig lijkt.

OGEN
Vrij klein oog, amandelvormig, niet bol, donkerbruin, levendig, iets schuin geplaatst.

LICHAAM
Vaste, rechte rug. Rond-ovale doorsnede van de ribbenkast. De ruglijn met de benen en de bodemlijn vormen een rechthoek waarbij de verhouding tussen schouderhoogte en lichaamslengte 9:10 bedraagt. Krachtige lendenen. Hals van gemiddelde lengte, krachtig en droog. Diepe, brede borst met duidelijk zichtbare voorborst.
Schouderhoogte 48-58 cm: reuen 52-58 cm, teven 48-54 cm.

BENEN
Een krachtige beenderstructuur. Lange, Schuin geplaatste schouder, bovenarm maar iets korter dan het schouderblad. Voorbenen van alle kanten gezien recht. Achterbenen met naar verhouding lange middenvoetsbeenderen en goed gehoekte gewrichten.

VOETEN
Korte, sterke, goed gesloten voeten (katte-voeten). Hubertusklauwen aan de achtervoeten moeten verwijderd zijn.

STAART
Hoog aangezet, krachtig, van gemiddelde lengte, dicht behaard met een iets langere beharing aan de onderkant; in beweging boven het kruis en zijwaarts opgerold gedragen.

VACHT
Stokhaar, stevig en glad aanliggend, dicht en glanzend. Onderwol zwart of bruin; grijze onderwol ongewenst.

KLEUR
Zwarte of chocoladebruine grondkleur met roestbruine en witte, symmetrische, regelmatige aftekeningen. Roestbruine vlekken boven de ogen mogen niet ontbreken.

Duidelijk zichtbare witte bles op het voorhoofd, doorlopend over de voorsnuit en deze omvattend. Wit aan hals en borst, dat niet onderbroken mag zijn, aan alle vier de voeten en aan de staartpunt. Het roestbruin aan de benen, aan weerskanten van het hoofd en voorsnuit en aan de borst moet steeds tussen wit en zwart liggen. Nekvlek en smalle witte halve halsring, evenals een zeer smalle hele halsring zijn toegestaan, maar niet gewenst.

BIJZONDERHEDEN
Gangwerk: ruim en soepel gangwerk met goede stuwing.

Karakter: zelfverzekerd zonder angst, temperamentvol met natuurlijke scherpte, slim en betrouwbaar. Aangeboren aanleg voor het hoeden en drijven van vee. Onomkoopbare en trouwe bewaker van zijn baas, huis en hof. Gemakkelijk af te richten als waak- en verdedigingshond, Rode Kruis-, lawinen- en rampenhond.

Fouten die de hond uitsluiten voor de fokkerij: te groot of te klein. Het ontbreken van meerdere premolaren of molaren, boven- of ondervoorbijten, hangende staart, volkomen ontbreken van bruin, niet toegestane kleuren, brede, volledige halsring, gelaarsdheid (oplopend wit aan de benen), angst, te veel scherpte; cryptorchisme, monorchisme.

VERWANTE RASSEN

De Appenzeller Sennenhond is een van de vier Zwitserse Sennenhondrassen. Al deze honden hebben een vacht in driekleur (zwart, met roestbruine en witte aftekeningen); alleen de schouderhoogte verschilt. Zoals de rasnaam aangeeft, is de Grote Zwitserse Sennenhond de grootste van de vier.

Reuen van dit ras kunnen een schouderhoogte hebben van 65-70 cm, teven tussen 60-65 cm. Deze honden zijn sterk, goed gebouwd, hebben een waaks, alert temperament, zijn moedig en enorm trouw. De haren in de vacht zijn hard en mogen niet langer zijn dan 5 cm. De Berner Sennenhond mag gerust de fraaiste van de vier worden genoemd. Reuen meten 64-70 cm. Dit ras heeft een heel andere vachtstructuur dan de andere drie. Hij is langharig. Het valt dadelijk op dat de vacht veel langer is dan bij de Appenzeller, Entlebucher en Grote Zwitserse Sennenhond. Berner Sennenhonden zijn overal in Europa populair en worden al heel lang als gezelschapshond gehouden.

De kleinste is de Entlebucher Sennenhond, die een schouderhoogte heeft tussen 40-50 cm. Deze hond heeft iets bijzonders, hij wordt namelijk met een stompstaartje geboren. Hij is erg beweeglijk en vlug, onomkoopbaar als waakhond en een voortreffelijke hoeder van de kudde die aan hem is toevertrouwd. Hij heeft net als de Appenzeller Sennenhond een enorm schrandere, bijna guitige uitdrukking in zijn ogen, die nog eens extra wordt benadrukt door de vereiste aanwezigheid van de roestbruine vlekjes boven de ogen.