Anglo-Français de Petite Vénerie

PORTRET

RASGROEP: Dashonden en Lopende Honden
AARD: Braaf maar koppig, levendig, veel uithoudingsvermogen
GEMIDDELDE LEVENSDUUR: 10 jaar
SCHOUDERHOOGTE:  48-56 cm; 2 cm meer of minder is toegestaan voor heel bijzondere exemplaren
GEWICHT: Ongeveer 25 kg.
VACHT: Tricolore (zwart, rood en wit), zwart-wit en rood-wit
AANLEG: Lange en korte jacht (haas en vos)
OMGANG MET KINDEREN: Hoewel hij zacht en betrouwbaar is, is het geen gezelschapshond
OMGANG MET ANDERE HONDEN: Meutehond
LEEFRUIMTE: Niet erg geschikt voor een leven op een flat
VACHTVERZORGING: Weinig

Grand Anglo-Français tricolore

Grand Anglo-Français tricolore

HERKOMST

Kruisingen tussen Franse jachthonden en hun Engelse soortgenoten aan de andere kant van Het Kanaal zijn even oud als de Frans-Britse betrekkingen zelf. Zo is bekend, dat de Franse koning Hendrik II al een witte dekreu uit Schotland in de koninklijke kennels in gebruik had. Franse rassen zoals de Poitevin, de Billy, de Porcelaine enzovoort, werd al heel lang nieuw leven ingeblazen door Britse rassen. Het was kennelijk nodig dat ze bepaalde eigenschappen moesten inbrengen, zoals gezondheid, een goede lichaamsbouw en een stevige beenderstructuur. Maar het heel systematisch kruisen van Franse en Britse jachthonden gebeurde pas in de 19e eeuw. De kwaliteit van de honden die hiervan het resultaat waren sprak de fokkers erg aan. Zij wilden de brakkenrassen die zo ontstonden vanwege hun uitmuntende jachteigenschappen behouden. Op deze manier zijn de Anglo-Français ontstaan.

Deze kunnen worden onderverdeeld in vier rassen: de drie Grands Anglo-Français of Anglo-Français de Grande Vénerie (honden die een schouderhoogte hebben van meer dan 60 cm) en de Anglo-Fran9ais de Petite Vénerie, die in het jaar 1930 in twee variëteiten werden onderverdeeld: de Anglo-Français Moyens en de Petits Anglo-Français, die een schouderhoogte hebben die schommelt tussen 42-60 cm.

Helaas werd de groep van de Anglo-Français de Petite Vénerie lang en onterecht gehouden voor een soort verzamelbak van honden die niet beantwoordden aan de criteria die golden voor de middenslagen (moyens). Maar ondanks het feit dat de Anglo-Français de Petite Vénerie bij sommige hondenliefhebbers geen goed kon doen, bleken ze steeds meer in trek te komen bij jachtmeesters. De Fransman Paul Daubigny, een liefhebber van het ras schreef: De Petit Anglo-Français werd door de Franse kynologie heel lang beschouw als ongewenst en als een paria behandeld.’ De Anglo Français de Grande Vénerie daarentegen, konden hondententoonstellingen worden getoond. Hierdoor ontstond een uiterst belachelijke situatie. Om aan tentoonstellingsreglement te ontsnappen, werden a driekleurige honden die een schouderhoogte van minder dan 50 cm hadden, ingeschreven als Beagle Harriers. Vanaf 1930 heb ik mij ingezet om de Petit Anglo Français officieel te laten erkennen. Hoe vaak is er niet verweten dat ik zo veel moeite deed voor de Petit Anglo die voor puristen kennelijk een rommeltje was!

Er werden verschillende pogingen ondernomen om een einde te maken aan de bestaande verwarring, dat de Anglo-Français de Petite Vénerie de plaats z kunnen innemen die hem toekwam. In de jaren ’60 werd zelfs een standaard opgesteld door enkele deskundigen, waaronder de heren Légeron, Hublot du Rivault, Gairal, Willekens en Dr. Guillet. Maar deze werd afgewezen door de Société de Vénerie, omdat sommige leden vreesden dat als een standaard zou worden aangenomen, ook meteen behoefte aan een standaard voor de Grand Anglo-Français zou ontstaan. Dit achtte men op dat moment niet wenselijk en eigenlijk zelfs onmogelijk. Tegen het einde van 1978 werd in Poitiers de Club de l’Anglo-Français de Petite Vénerie opgericht, onder voorzitterschap van Dr. Guillet. Het is aan zijn doorzettingsvermogen te danken dat de commissie van de Société de Vénerie de standaard uiteindelijk aannam. Kort daarna wordt deze ook door de Fédération Cynologique Internationale (FCI) aangenomen. Ook sedert de officiële erkenning van het ras heeft de Club de L’Anglo-Français de Petite Vénerie niet stil gezeten en het is inmiddels zo, dat heel wat fraaie exemplaren worden gezien op Franse hondenshows.

GEDRAG

De Anglo-Français de Petite Vénerie vertegenwoordigt een voortreffelijke middenweg tussen de lichamelijke aanleg van de Engelse honden die hun inbreng hebben gehad in het ras en de jachtkwaliteiten van de Franse voorouders. Paul Daubigny schrijft hierover het volgende: ‘De echte jachthond moet als geen andere hond in het bezit zijn van zeer verschillende en soms tegenstrijdige bekwaamheden, die zelden in één ras worden gevonden. Hij moet tegelijkertijd braaf en vasthoudend zijn, een fijne neus hebben, snel zijn en zich zowel ergens op kunnen vastzetten als zichzelf kunnen redden.

De Anglo-Français de Petite Vénerie bezit deze combinatie van kwaliteiten meer dan de zuivere Engelse of zuivere Franse hond. Hij heeft minder ‘neus’ dan het oude, zuivere Franse ras, maar daar staat tegenover dat hij veel meer initiatief heeft, voortvarender en sneller is en meer volhardt. Elke jager weet dat, om gedurfd te jagen, er in een meute honden van verschillende snit nodig zijn. Met een speciaal gefokte en geselecteerde Anglo-Français de Petite Vénerie ontstaat zowel qua uiterlijk als qua snelheid een fraaie homogene groep. Maar er kan met deze honden toch een meute worden samengesteld, die wat hun jachtkwaliteiten betreft, uiterst veelzijdig is. De honden vullen elkaar door hun bekwaamheden op een bijzonder geslaagde manier aan.’ De Anglo-Français de Petite Vénerie toont wat hij kan tijdens de lange jacht op hazen. Hij doet het even goed tijdens de jacht op reeën en hij wordt zeer gewaardeerd tijdens de jacht op de vos en het wilde zwijn.

STANDAARD

ALGEMEEN
Evenwichtig uiterlijk; stevig gebouwd, maar niet zwaar; van opzij gezien moet het silhouet neigen naar dat van een goed gevormde Franse hond.

HOOFD
Lang, niet te breed, weinig geprononceerde achterhoofdsknobbel. Schedel enigszins convex, zonder bol te zijn. Matige stop. Neusspiegel goed gepigmenteerd en neusgaten goed geopend. De bovenlip bedekt de onderlip. Voorsnuit enigszins puntig. Voorhoofd: matig lang, recht, of enigszins gewelfd.

GEBIT
Scharend gebit.

OREN
Aangezet boven de lijn van de ogen, soepel, enigszins gedraaid, van gemiddelde lengte; minstens tot op twee vingers van de neusspiegel reikend.

OGEN
Groot, bruin van kleur; met een zachte, maar levendige uitdrukking.

LICHAAM
Hals vrij, zonder keelhuid. Schouders lang, vlak en schuin, goed gesloten tegen de borst. Borst diep, minstens tot de punt van de elleboog reikend, goed ontwikkeld. Lange, middelmatig geronde ribben. Strakke, rechte rug. Tamelijk korte, gespierde lendenen. Tamelijk volle flanken, licht opgetrokken, maar zonder windhonden effect. Kruis tamelijk lang en licht aflopend. Fijne huid, zonder plooien, strak weefsel.
Schouderhoogte 48-56 cm; bijzondere exemplaren mogen 2 cm hoger of lager zijn.

BENEN
Voorbenen voldoende krachtig, van opzij gezien breed en recht. Spronggewrichten licht gebogen en tamelijk laag. Dijen goed gespierd en lang doorlopend.

VOETEN
Droog en goed aaneengesloten.

STAART
Van gemiddelde lengte, tamelijk fijn, goed aangezet in het verlengde van de lijn van de lendenen; goed behaard zonder borstelig te zijn.

VACHT
Kort, vast en glad.

KLEUR
Tricolore: wit, zwart en donkerrood, zwarte neusspiegel. Blanc et Noir: zwart en wit; zwarte neusspiegel. Blanc et Orange: rood-wit; bruine neusspiegel.

BIJZONDERHEDEN
Fouten bij deze hond zijn de volgende: te kort of te breed hoofd, ronde schedel, te bolle ogen, vierkante voorsnuit met te sterk aangegeven lippen, hoog aangezette, brede, korte en te vlakke oren, losse keelhuid, te korte hals, beladen schouders, cilindervormig lichaam, dikke, korte of borstelige staart, los weefsel, vleeskleurige neusspiegel, lichte ogen, boven- of ondervoorbijtend.

In het algemeen alle fouten die bij brakken voorkomen. Niet rastypisch voor deze hond zijn de volgende kenmerken. Algemeen type: gebrek aan type en met name een te ‘Engels’ type, te brede schedel, te korte en te vlakke oren; schouderhoogte buiten de toegestane maat zoals in de standaard aangegeven; onvoldoende bouw en beenderstructuur waardoor de hond ongeschikt is voor de jacht, staartafwijkingen, aanwezigheid van Hubertusklauwen of elk spoor van het verwijderen van de Hubertusklauwen aan de achterbenen, erg lichte ogen.

Voor de Tricolore en de Blanc et Noir: ongepigmenteerde (vleeskleurige) neusspiegel en ongepigmenteerde huid op de testikels of de vulva; voor de Blanc et Orange: een overmatig pigmentverlies op de oogleden en aan de binnenkant van de neusgaten:

Voor de Tricolore: overmatig charbonné (zwarte haarpunten op gele tot rode haren) op het hoofd.

Voor de Blanc et Orange: geheel rode vacht of elk spoor van zwart pigment. Afwijkingen: boven- of ondervoorbijten. Monorchisme, cryptorchisme.